Dat we in een bijzondere tijd leven, is al heel vaak en om verschillende redenen geroepen. Maar ik wil daar toch graag bij aansluiten om redenen die ik nu zal noemen. Ik heb de indruk dat we echt in een heel bijzondere tijd leven. Ik heb ook het gevoel dat veel mensen ermee geholpen zijn met een soort bewustwording van bepaalde ontwikkelingen in deze tijd. Dit klinkt misschien wat betuttelend, maar ik bedoel eigenlijk alleen maar te zeggen dat het mij enorm heeft geholpen en dat ik de indruk heb dat anderen hier ook iets aan kunnen hebben. En ik ben me altijd weer bewust van mijn beperktheid en mijn behoefte aan aanvulling.
Sinds veel ontwikkelingen in de vorige eeuw hoeven we ons minder te laten imponeren wat de grote verhalen ons voorschrijven. Dat geldt voor religieuze grote verhalen, maar dat geldt zeker ook voor wetenschappelijke grote verhalen. Dit besef kan zowel gevoelens van angst als gevoelens van bevrijding oproepen. Maar met een open waarachtige houding en een gezond besef van identiteit in je rugzak heb je genoeg ego-kracht om op avontuur te gaan =)
Voor dit avontuur heeft het postmodernisme al veel lof gekregen, maar het lijkt me fair om ook eens de mensen te noemen, waarbij de postmodernen op de schouders staan. De ontwikkelingen gaan – volgens mij – het postmodernisme ver te boven. Alleen is het een handige term die aanhaakt bij ontwikkelingen en bij mensen die in deze bewustwording zitten.

Ik ben me bewust dat met de volgende mensen nog lang niet alles is gezegd, maar het lijkt me op z’n minst een aanvulling op de grote nadruk die er tegenwoordig op het postmodernisme ligt. Het lijkt me ook een aanvulling die voorbij het relativisme gaat van sommige postmodernen. Er is niet alleen deconstructie, maar er is ook nog zoiets als een bewustwording van nieuwe verbanden en nieuwe loyaliteiten. Dat is wel mijn ervaring. Ik noem het maar even voor het gemak “nieuw traditionalisme”. Om niet gelijk te denken aan klederdracht en klompendans is “NewTrads” misschien hipper =) Eerst noem ik wat namen die de weg hebben bereid om uiteindelijk te verduidelijken wat ik met NewTrads bedoel. En misschien kom ik er straks achter dat er allang zoiets bestaat.
Martin Heidegger

We hebben Heidegger al eerder genoemd en geroemd als degene die de eeuwenlange nadruk op de epistemologie bekritiseerde door een nieuwe ontologie te ontwikkelen waarbinnen epistemologie een plek heeft. Niet wat we kunnen weten is de belangrijkste vraag in de filosofie, maar de vraag naar ons zijn en onze verbondenheid met onze omgeving is de belangrijkste vraag in de filosofie. Onze kennisleer volgt dan als een interpretatie van deze verbondenheid met onze omgeving. Dit lijkt me het dynamiet geweest onder de cartiaanse gedachte dat we ons primair moeten richten op onze rationele verbondenheid met onze omgeving. En daarmee richtte hij de aandacht niet op de omgeving maar op onszelf. Daar zijn – volgens Descartes – de belangrijkste ideeen al in zuivere vorm aanwezig. Heidegger haalde dit onderuit en maakte onze verbinding weer meer dan rationeel. Het denken vindt immers plaats als onderdeel van ons zijn en onze zijnsverbondenheid.
Ludwig Wittgenstein
Een andere “wegbereider” is de filosoof Ludwig Wittgenstein. Niet zozeer in zijn hoofdwerk: Tractatus logico philosophicus, maar vooral ook in zijn latere leven (door sommigen Wittgenstein 2 genoemd). Ik wil de komende tijd zijn biografie lezen, dus dan heb ik wat meer now-how. Daarin staat nog meer over zijn geloofshouding, die voor Wittgenstein belangrijker is geweest dan zijn filosofische en wetenschappelijke activiteiten. Ik ben dat ook al tegengekomen in zijn boek “Over zekerheid” (zie citaat hieronder) waarin aantekening zijn verzameld van de jaren vlak voor zijn dood. Nu kan ik zeggen dat hij – net als Heidegger – een bijdrage leverde om de overheersing van de grote imponerende verhalen te ontkrachten. Niet door de ontologie erop los te laten, maar veel meer door een “sociologische” benadering van kennis voor te stellen. Als wij kennis opdoen of een taal ontwikkelen en daar ook regels voor opstellen (methodieken) dan heeft onze kennis/taal alleen de geldigheid binnen het taalspel waar ze functioneren. Dit geldt voor wetenschappen onderling, maar dit geldt ook voor wetenschappelijke kennis ten opzichte van onze algemene kennis. De regels die we immers vooraf afspreken zijn geldig voor een bepaald terrein. Aldus mijn gebrekkige weergave van zijn theorie. Later heeft hij dit nog verder uitgewerkt en zelfs genoemd dat het boek van de formele kennis ondergeschikt is aan het boek van het leven. Maar hier wil ik dus meer over lezen.
Thomas Kuhn
Een andere filosoof die we minder terughoren, maar die voor een enorme mokerslag heeft gezorgd in de hedendaagse kennisleer is Thomas Kuhn. Uit een Joods gezin geboren Amerikaan. In zijn boek “The structure of scientific revolutions” geeft hij een belangrijke bijdrage aan de verzwakking van de imponerende wetenschappelijke verhalen door vanuit de geschiedenis en de sociologie te wijzen op het tijdgebonden karakter van wetenschappelijke paradigma’s. Deze paradigma’s evolueren niet naar een punt van hoogste perfectie – zoals de logisch positivisten meenden – maar veranderen sprongsgewijs onder invloed van sociale en historische ontwikkelingen. Hij onderscheid hierin vier fasen: 1. pre-wetenschap: de fase zonder paradigma en eenstemmigheid (geen vooruitgang) 2. normale wetenschap: de fase met paradigma en eenstemmigheid 3. crisis: de fase waarin onverklaarbare verschijnselen binnen de theorie openlijk worden onderkent 4. revolutie: deze leidt tot een nieuwe normale wetenschap.
Deze visie koppelt de geldigheid niet alleen aan de gebieden waarin ze geldig zijn, maar ook nog eens aan de tijd waarin zij geldig zijn. Historicisme of historisme zijn ook termen die ermee in verband worden gebracht. Kennis is dus niet langer meer het ultieme verhaal voor overal en voor eens en altijd. Maar onze kennis heeft tijdelijke, contextuele geldigheid. Tenminste als het om wetenschappelijke kennis gaat, want daar gaat zijn boek over.
De theorie van Kuhn kan – grappig genoeg – niet uit onder zijn eigen conclusie en dat brengt ons bij de vraag vanuit welk tijdelijk paradigma Kuhn zijn uitspraken doet en of zijn theorie inmiddels over de houdbaarheidsdatum is geraakt =)
Verzwakking van het funderingsdenken
Funderingsdenken – in originele vorm – wil graag funderen op een fundament van algemeengeldende onbetwijfelbare zekerheden. Nu deze er niet meer zijn (volgens deze jongens) kan het funderingsmodel dus beter worden vervangen door een ander model. Fritjof Capra kwam zo bijvoorbeeld tot zijn netwerkmodel die beter past bij de nieuwe ontdekkingen binnen de natuurkunde. Een (holistisch) model wat daar nog steeds vrij gangbaar lijkt te zijn – heb ik me laten vertellen door een natuurkundige vriend.
De geldigheid van de hermeneutiek
De filosofische hermeneutiek is echter niet zo afhankelijk van deze metaforen. Omdat het vanuit de directe ervaring al een contextuele manier is van kennis verwerven en rekening houdt met het voortschrijdend inzicht, maar ook met de persoonlijke factoren hierin, heeft het een houdbaarheid die vrij lang meegaat. Er zijn geleerde heren die hermeneutiek dan ook verwant zien aan de manier waarop er in het jodendom al veel langer met kennis om wordt gegaan als het gaat om kennis van de Thora. Dit wordt altijd al in samenhang met de traditie, maar ook met nieuwe ontwikkelingen en persoonlijke factoren gepraktiseerd. Hermeneutiek is “a way of life”, zei Gadamer al.
Nieuwe theologie
Omdat theologie zich ook als een wetenschap wil laten gelden, ontkomt deze dus niet aan de kritiek van bovengenoemde mensen. Sommige christenen worden dan ‘een beetje’ bezorgd omdat we dan misschien zouden moeten twijfelen aan de basisbeginselen van ons geloof. Een gezonde zelfkritiek hierin kan altijd heilzaam werken, maar het lijkt me niet echt nodig om met dit belemmerende doemscenario te beginnen. De kritiek waar het hierom gaat reikt niet verder dan onze ‘wetenschappelijke’ of ‘formele’ formuleringen van ons geloof. Het heeft geen geldigheid op het terrein van onze beleving en ook niet direct op onze persoonlijke overtuigingen. Inderdaad kunnen we theologische schema’s en dogma’s kritisch bekijken in hun “taalspel” en hun ”tijdelijkheid”. Maar zijn veel mensen in de kerk zich al langere tijd van bewust. Hoewel dit besef helaas niet altijd leidt tot bescheidenheid. Anderzijds hoeven we niet bezorgd te zijn omdat deze kritiek juist ook een verzwakking betekent van de moderne theologie die het gezag van de bijbel heeft willen ontkrachten vanuit wetenschappelijke paradigma’s. Zo is het project van de “historische Jezus” en de moderne schriftkritiek nu ook niet meer dominant, omdat het uitgaat van een historisch paradigma die tijdgebonden is. De bijbel mag best kritisch worden bekeken vanuit historische optiek, dat kan ons zelfs helpen om de bijbel te verstaan en onze relatie met God te verfrissen. Echter is de invloed veranderd van dominant naar dienstbaar. Deze theorie imponeert niet langer en heeft geen uiteindelijk gezag bij ons persoonlijk bijbellezen. Dit gebeurt immers vanuit de ervaringen die wij in ons persoonlijk leven opdoen. Epistemologie heerst niet langer over de ontologie, kunnen we filosofisch zeggen.
De waarde van traditie
Als Vattimo na het postmodernisme de “geloofs-loyaliteit” niet zoekt met wetenschappelijke paradigma’s, maar met de brede christelijke traditie neemt hij de kritiek van de bovengenoemde heren zeer serieus. Traditie is geen wetenschappelijk paradigma waarbinnen ‘de’ logica vooral voor samenhang/coherentie moet zorgen en alle kennis moet worden herleid tot het fundament. Logica heeft een rol, maar deze is ondergeschikt aan de relatie van mensen onderling en de relatie van mensen met God waarin de bijbel een centrale plek inneemt. De bijbel als fundament – zoals vele christenen nog steeds terecht roepen – is een ander soort fundament dan het fundament uit de modernistische wetenschap. De bijbel leent zich – volgens mij – voortdurend voor herinterpretatie in een persoonlijke context aan de hand van persoonlijke ervaringen. Daarbij heeft de traditie van oudser minder pretenties gehad dan de idealen die de wetenschap na de verlichting heeft verkondigd. Dat komt – volgens mij – door de rol die het mysterie in (een groot deel van) de traditie is blijven spelen. In die zin werd de wetenschap nog religieuzer dan de christelijke traditie. Met de overmoedige ont-tovering van de werkelijkheid konden zij zich – met weinig verantwoording van hun eigen subjectieve tijd/plaatsgebonden uitgangspunten – stevig in het zadel hijsen met hun professoren als nieuwe dominees en goeroes en hun methodieken als hun nieuwe liturgie. Zeker in de tijd van de logisch positivisten. In een traditie kan er – volgens mij – beter worden omgegaan met zaken als tijdelijkheid, subjectiviteit, paradoxen en tegenreacties. Dat hoort bij de menselijkheid van een traditie. Dit geldt helaas niet voor alle traditionele christenen die in een tegenreacties op de moderniteit zich bedienen van hetzelfde objectivistische jargon. Ik moet mezelf hierin dus wat terugfluiten. Er zijn te veel uitzonderingen geweest die hun traditie als moedertraditie hebben gesteld en alle andere tradities hebben verketterd, maar in deze tijd lijkt deze houding niet meer dominant aanwezig. En dat vind ik winst. Tradities waarin hierarchische structuren aanwezig zijn, lijken mij het meest traag in dit proces. Daar is nog meer invloed van ambtelijke individuen die hun status quo bedreigd zien worden. Maar zelfs de katholieke traditie en de gereformeerde traditie zijn in deze tijd meer open en meer bescheiden dan ooit. Natuurlijk zijn veel moderne en liberale christenen het on-eens met de openheid van de hedendaagse kerk, maar zij beweren dit op grond van hun modernistisch paradigma, waarin het gaat om enkele leerstellingen die door het moderne theologische paradigma waren verworpen. Vanuit die optiek zijn de tradities die vasthouden aan de lichamelijke opstanding en Jezus als enige middelaar “fundamenalistisch” en vergeten ze dat deze geloofsinhoud niet alleen vanuit een fundamentalistisch paradigma kan worden onderbouwd, maar ook kan groeien vanuit een nieuw paradigma waarin de ERVARING met Jezus en de ERVARING met bijbellezen tot deze overtuiging of geloofsinhoud kan leiden. Dan is er geen historisch fundament nodig. Hoewel historisch besef dan wel weer kan groeien en kan verrijken. De kerk kan dan een club van mensen worden die Jezus als “de middelaar” hebben leren kennen en waarvoor de historische gebeurtenissen in het leven, sterven en opstanding van Jezus van doorslaggevende betekenis zijn geweest.
De nieuwe traditionelen – NewTrads
Kortom we leven in een boeiende tijd waarin er veel vrijheid is. De vrijheid die was voorbehouden aan moderne en liberale theologen is nu vooral ook de vrijheid die van de “nieuwe traditionelen” geworden. En dat is iets anders dan nieuwe fundamentalisten =) Nieuwe traditionelen zijn in mijn beleving “ervaringsgericht traditioneel”. Denken niet in bouwwerken met stevige funderingen, maar komen elkaar tegen in netwerken met beginpunten en perspectieven. Ze zijn trouw aan hun ervaring en zoeken manieren om hun loyaliteit met de breedte van de christelijke traditie vorm te geven. Maar zoals het een nieuw traditioneel past wil ik hier niet te stellig over zijn en ben ik altijd bereid om in gesprek te gaan met deze interpretatie van de hedendaagse ontwikkelingen. Het is immers maar mijn interpretatie =) Maar je bent hier altijd welkom met kritiek, herkenning, aanvulling en vragen. Ik laat me heel graag aanvullen vanuit theologische invalshoek, omdat ik besef dat dit in dit hier wat beperkt naar voren komt. Dus doe je best.
NewTrads betekent dus niet traditioneel shoppen. Shoppen heeft veel te maken met welke BEHOEFTE je hebt. Dat veronderstelt een consumptief-paradigma. Wat NewTrads bewegen is loyaliteit vanuit hun persoonlijke en gedeelde ervaring. Het gaat om de waarachtige beleving/ervaring van verbondenheid. Een verbondenheid die een verbondenheid van de Geest kan blijken te zijn. Maar dat is mijn persoonlijke overtuiging geworden.
“Ik weet niet alleen dat de aarde al lang voor mijn geboorte bestond, maar ook dat het een groot lichaam is, dat met dat heeft vastgesteld, dat ik en de rest van de mensheid vele voorouders hebben, dat er boeken over al deze dingen bestaan, dat zulke boeken niet liegen, etc. etc. En dat weet ik allemaal? Ik geloof het. Dit geheel van kennis is me overgeleverd, en ik heb geen grond er aan te twijfelen, wel velerlei bevestigingen. En waarom zou ik niet zeggen: ik weet dat allemaal? Dat is toch wat men zegt? Maar niet alleen ik weet of ik geloof dat alles, maar anderen ook. Liever gezegd, ik geloof dat ze het geloven.”
Ludwig Wittgenstein in “Over zekerheid” nr 288 p.80