In den beginne was er… de ontmoeting

Hoe zit het nu met de verhouding theologie en geloofsleven? Dit is een vraag die ik mezelf langere tijd heb gesteld. Ook toen ik theologie studeerde en colleges volgde.

Ik vond het ook altijd erg bijzonder dat het geloof daar veelal tot een rationele zaak werd gemaakt. Voor mij des te vreemder omdat ik zonder geloof heel rationeel heb gedacht of geloof maar nooit op punten uitkwam waar ik nu met geloof op uitkom bij het nadenken over geloof.

En dan kom ik toch weer bij het gesprek rond Rob Bell. Ook in dit gesprek worden zijn vragen acuut gezien als theologische vragen waarop antwoorden moeten komen. “Hij stelt goede vragen…” En als Bell ons niet bij antwoorden brengt dan lijkt hij “gevaarlijk” bezig en schrijven we hem gewoon maar antwoorden toe.

Terwijl Bell op p.17 Laat zien dat hij op zoek is naar een manier om met deze vragen om te gaan. Dit is een meer existeniële manier van met vragen omgaan. Kijkend naar onze diepere lagen waar er vragen achter de vragen liggen en weer worstelingen achter deze vragen.

Dus al te snel de antwoorden op deze vragen geven is hetzelfde als de patient een pilletje voorschrijven bij hoofdpijn, terwijl zijn hoofdpijn wordt veroorzaakt door te veel bezigheden die hij beter kan beperken.

Kenmerkend is misschien wel de reactie van Chan op Bell’s uitspraak. Chan citeert iets van Bell op p.22 (uit Bell p. 117) en stelt dat Bell van deze visie (alverzoening) overtuigd is op p.21. En dat terwijl Bell al verkennend een perspectief de ruimte geeft zonder dit direct te hoeven te bevestigen. Waar leest Chan dat Rob Bell hiervan overtuigd is?

Bell zegt immers dat het hem erom te doen is hoe we met vragen omgaan en daar antwoorden op zoeken. Bell is hierin inderdaad minder theoloog. Hij is meer een pre-theoloog. Hij is de mens die zoekt, maar daarbij ook gebruik maakt van theologie. Hoewel misschien niet altijd exegetisch handig en soms ook theologisch eenzijdig is, is dit toch wat hij lijkt te doen. Maar deze onhandigheid en deze eenzijdigheid lijken mij niet voorbehouden aan Rob Bell alleen.

Rob Bell confronteert met de vragen en hij confronteert met hemel en hel op een existentiële manier en dan is het laatst wat je kunt zeggen dat Rob Bell moeite heeft met de hel en deze wil omzeilen. Hij brengt het juist heel dichtbij in het hier en nu en heeft vooral moeite met de eindigheid van Gods liefde. En wie heeft dit nu niet? Hoewel het (altijddurende) oordeel vanuit het perspectief van de slachtoffers kan worden opgevat als liefde en recht (voor de slachtoffers).

Dit zijn gewoon lastige vragen die niet zijn gediend met een snel antwoord. Zij komen immers voort uit de ontmoeting met werkelijke mensen. En daar kunnen weer andere vragen en gevoelens aan te grondslag liggen.

De ontmoeting gaat zo voorop. Net als mijn ontmoeting met God vooraf is gegaan aan mijn inzicht in het verhaal van God. Eerst had ik het licht van de Geest nodig om het verhaal te verstaan en niet het licht van de rede. Dat licht kwam later.

Dit verschil in behandeling van de grote vragen brengt ons bij de vraag: hoe gaan wij met de grote vragen om? Nemen we een antwoordpilletje of passen we onze levenstijl aan. Bell brengt ons bij een levensstijl waarin we dicht bij onze naaste staan en hem werkelijk ontmoeten en meeworstelen en zoeken met de vragen. Snelle antwoorden zijn niet handig als ze geen aansluiting vinden bij onze naaste. Het antwoord hangt erg af van wie we voor ons hebben. Zoals ook Jezus anders reageerde naar de Schriftgeleerde als naar de afgewezen Samaritaanse vrouw bij de put.

Dit is mijn visie op het gevoerde gesprek over Bell tot nu toe. Natuurlijk mag je verder gaan dan Bell en het thema op je eigen manier ter sprake brengen, Laat ik maar weer duidelijk de ruimte geven.

Ik wil afsluiten met het citaat wat al weken in mijn hoofd op de achtegrond aanwezig is. Het is de grote meester Martin Buber. Beter kan ik het niet zeggen:

“Iedere grote cultuur welke verschillende volkeren omvat, berust op een oorspronkelijk ontmoetingsgebeuren, op een antwoord aan het Jij, dat eens aan haar bron plaats had, op een wezensdaad van de geest. Deze daad, versterkt door de gelijkgerichte kracht van de volgende generaties, schept een eigen begrijpen van de kosmos in de geest – eerst door de geest wordt de kosmos van de mens steeds weer mogelijk; dan pas kan de mens ook met een gerust hart volgens zijn eigen begrijpen van de ruimte van Godshuizen bouwen, kan hij de slingerendetijd vullen met nieuwe hymnen en liederen en de gemeenschap van mensen in een gestalte vormgeven. Slechts zolang als hij die wezensdaad in zijn eigen leven actief en passief kent, zolang als hij zelf de relatie binnen gaat: zolang is de mens vrij en dus creatief.”
Buber – Ik en Jij p. 65

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s